De Schim

Onderstaande tekst schreef ik toen ik net thuis zat met een Burn-Out. Ik had het gevoel dat iedereen om mij heen weg keek en mensen het te moeilijk vonden om hier mee om te gaan. Het is een hele duistere tekst, maar geeft goed mijn gevoel weer van destijds. Gelukkig zit ik nu een stuk beter in mijn vel. Ik hoop dat er mensen zijn die zich in deze tekst herkennen en dat ik hen kan laten zien dat het echt beter wordt. Ook al denk je dat er niemand is die het iets kan schelen; de mensen om je heen geven echt meer om je dan je soms denkt, ook al laten ze dat niet altijd even duidelijk blijken. Je staat er niet alleen voor, je hoeft niet toe te geven aan De Schim.

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

De Schim

Wie ze ook probeert te bellen, de telefoon geeft bij elk contact aan dat het nummer niet bereikbaar is. Haar vingers rammen wanhopig op het scherm. Tevergeefs.
De Schim staat in een hoek smalend toe te kijken en steekt een dreigende klauw uit. In paniek rent ze struikelend de deur uit naar buiten en begint in het wilde weg met haar vuisten op voordeuren te bonken.
‘HELP! Alsjeblieft, help me!’.
Geen reactie.
Ze voelt hoe De Schim steeds dichterbij komt. In een laatste wanhoopsdaad rent ze verder de straat op. Ze weet dat het geen zin heeft om te vluchten, maar ze moet het proberen. Midden op straat stopt ze met rennen. Blind van paniek en angst grijpt ze met haar handen naar haar hoofd. Met haar vingers verstrengeld in haar lange haar vult ze haar longen met lucht en gilt, met alle kracht die ze in zich heeft. Het is een geluid dat door merg en been gaat. Ruiten springen uit kozijnen. Autoalarmen beginnen te loeien. Vogels vliegen verschrikt op.
Ze blijft schreeuwen, maar niemand komt haar te hulp.
Hij staat nu achter haar. Ze hoeft zich niet om te draaien, ze voelt het. Hij is in haar hoofd, hij is om haar heen, hij is overal.
‘Niemand hoort je. Niemand WIL je horen, dat moet je ondertussen toch gemerkt hebben. Hoe harder jij om hulp schreeuwt, hoe verder ze de andere kant op kijken en hoe dieper ze hun vingers in hun oren stoppen. Je bent alleen.’
Ze wil niet naar hem luisteren. Ze wil het niet geloven. Het is niet waar, zegt het rationele deel van haar hoofd. Maar De Schim is sterker. Hij is luider. En zolang er niemand is om hem weg te jagen, niemand die haar hand pakt en haar bij hem weg trekt, zal De Schim steeds groter en sterker worden.
‘Ze zitten niet op je te wachten. Ze zullen je nooit begrijpen, omdat ze je niet WILLEN begrijpen. Dat kost teveel moeite. Dat kost teveel tijd. Tijd is kostbaar en alleen belangrijke dingen zijn tijd waard. Zoals geld. Zoals aanzien. Kom met mij mee, ik kan je rust geven.’
Zijn stem klinkt inderdaad rustgevend. De verleiding is groot. Als hij zijn hand op haar schouder legt, voelt ze hoe ze breekt en zachtjes begint te schokken. Tranen stromen langs haar wangen. Rust, dat is alles wat ze wil. Met een klein beetje hulp, een klein beetje liefde en een klein beetje aandacht had ze dat kunnen bereiken. Maar zolang niemand haar tijd schenkt, zal ze nooit rust vinden en De Schim kunnen verjagen.
Hij heeft gelijk, beseft ze zich. Ze draait zich naar hem om. Nu ze goed kijkt, ziet ze pas hoe mooi hij is. Ze pakt zijn hand aan en geeft zich aan hem over. Hij slaat zijn beide armen om haar heen en trekt haar stevig tegen zich aan.
Ze merkt dat ze geen lucht krijgt, maar ze heeft de kracht niet meer om zich te verzetten. De wereld om haar heen vervaagt langzaam, verandert in mooie, zachte vormen zonder scherpe randen. Ze voelt zich licht.
De Schim lacht. Zijn lach wordt luider en luider en zwelt aan tot een oorverdovend kwaadaardig gebulder. De zachte vormen veranderen in een zwarte, allesopslokkende duisternis.
‘NEEEE!’ Ze trekt zich los uit zijn greep en slaat wild om zich heen.
‘Ik kan niet opgeven. Ik moet ze nog een kans geven.’
Ze rent weer naar binnen en gaat aan de eettafel zitten. De telefoon ligt voor haar. Ze kijkt naar het zwarte scherm, dwingt het met haar gedachten om op te lichten. Voor het eerst in haar leven bidt ze, al weet ze niet tot wie.

De Schim staat alweer achter haar, over haar heen gebogen, geduldig te wachten.
Hij weet dat niemand haar zal bellen, dat niemand haar een bericht zal sturen. Dat niemand zich om haar wil bekommeren omdat ze zijn aanwezigheid te lastig vinden. Ze beseffen zich alleen niet dat hij met hun hulp, door hun desinteresse, alleen maar sterker wordt. Nog even, dan zal zij zich overgeven.
De Schim legt zijn hand weer op haar schouder en wacht.
Hij heeft alle tijd.
Zij niet.