Duivelsjong

De website ‘Heel Nederland Schrijft’ organiseerde een ‘enge verhalenwedstrijd’. Een voorwaarde was dat het verhaal zou beginnen met één van de vooraf vastgestelde zinnen. Helaas viel ik niet in de prijzen, maar mijn verhaal werd wel in de bundel geplaatst. Omdat elk ingezonden verhaal – ongeacht het aantal schrijffouten of de kwaliteit van het verhaal – in de bundel werd meegenomen, beleef ik hier niet veel eer aan. Helaas wist ik dit ook niet vooraf, anders had ik niet meegedaan aan deze wedstrijd.
Ondanks dat ben ik wel blij met mijn inzending, vandaar dat ik deze hier plaats.

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

Duivelsjong

Ik voel de blikken prikken in mijn rug. Beschaamd raap ik de ananasschijven in siroop op die mijn peuter zojuist krijsend uit het schap heeft geslagen. Terwijl ik koortsachtig probeer om hem stil te krijgen, negeer ik het afkeurende gefluister om me heen.
De hele weg naar de kassa blijft dat duivelsjong schreeuwen. Ik probeer mijn tranen te bedwingen en fantaseer dat ik een blik ananas tegen zijn kleine schedel ram. Wedden dat hij dan zijn kop houdt?

Je vindt me nu vast een vreselijk mens. Think again. Jij weet niet wat ik weet.
Jij hebt niet gezien wat ik heb gezien.

Het zweet loopt in straaltjes langs mijn rug terwijl ik hem uit mijn hoofd probeer te weren door me te concentreren op de boodschappen.
Ikhoorjenietikhoorjenietikhoorjeniet.
Als een robot pak ik de tassen in. Zwaar onderop, licht en breekbaar bovenop. Diepvries in de koeltas. Ongewild kijk ik toch weer zijn kant uit. Hij krijst en slaat wild met zijn armen om zich heen en kijkt uitdagend terug met die eeuwige duivelse grimas op zijn gezicht. Hij doet het er om, weet ik ondertussen uit ervaring. Wanhopig zoek ik herkenning in de ogen van omstanders, in de hoop dat zij het ook zien, maar ik lees alleen maar afschuw.
KIJK DAN NAAR HEM, wil ik schreeuwen. Maar dat doen ze niet. Ze kijken naar mij. Allemaal.
Ik kan er niet meer tegen.
Als in trance pak ik een blik van de kassaband en hef het boven mijn hoofd. Ik hoor mijn eigen stem, terwijl ik mijn hand met een noodgang naar beneden breng, richting de blonde haren die ik ooit schattig vond, maar waar ik nu van walg.
‘HOUD VERDOMME JE BEK!’
Dan voel ik hoe ik tegen de grond word gewerkt. Mensen schreeuwen tegen me, kijken me vol afkeer aan en ontfermen zich over het monster.
‘Jullie begrijpen het niet!’ krijs ik. ‘Kijk dan! Kijk naar hem!’
Het lichaamsgewicht van de persoon bovenop me drukt zwaar op mijn longen. Ik krijg geen adem. Met moeite hef ik mijn hoofd en kijk naar het winkelwagentje. Met een triomfantelijke tandeloze grijns kijkt het kind terug. Hij is gestopt met huilen. Terwijl het zwart wordt voor mijn ogen en ik alle kracht uit mijn lichaam weg voel vloeien, hoor ik opnieuw zijn stem in mijn hoofd.
‘Mispoes. Zo makkelijk kom je niet van mij af…’